Haar
Het was in de auto. Hij achter het stuur, ik ernaast. Het regent. Al de hele dag. De thermometer geeft 11 graden aan. We rijden om iets tegen te komen. Een leuk dorpje, een oude brug. We rijden langs velden met opgerolde balen hooi. Of stro. Gele opgedroogde sprietjes van het een of ander. Velden met koeien. De koeien staan heel dicht bij elkaar onder een boom. Houden zeker ook niet van de regen.
Ik doe het zonneklepje naar beneden. Mijn haar zit redelijk. Voor op een camping met al een week slecht weer zit het redelijk. Het doet z’n best in ieder geval. Ik pak steeds een pluk haar en kijk ernaar. Hoe sommige plukjes samen een krul vormen en andere plukjes het niet met elkaar eens kunnen worden.
Dan ineens zie ik het. Mijn hand met de pluk haar blijft in de lucht zweven. Mijn ogen focussen zich.
Misschien komt het door de lichtval? Misschien ben ik blond geworden door de zon? Ik steek mijn hoofd verder naar voren om het goed in het kleine spiegeltje te kunnen zien. Mijn hand laat de grote pluk los en pakt de grijze haar. Hij is echt grijs. Het is niet het licht, hij is niet geblondeerd door de zon, hij is
grijs en hij zit in mijn hoofd.
Ik isoleer de haar en trek hem eruit. Met mijn duim en wijsvinger houd ik hem vast. Van de wortel tot het puntje: helemaal grijs.
Ik kijk naar links. Hij kijkt naar de weg. “Kijk!” roep ik en ik houd de haar voor zijn neus. Hij zegt niets. “Die trek ik net uit mijn hoofd! Hier!” Met mijn linkerhand wijs ik de plek op mijn hoofd aan waar de haar zojuist zat. Hij glimlacht alleen maar. Ik kijk weer naar de haar. Dan kijk ik naar mezelf in het spiegeltje. Mijn donkerbruine haar. Ik doe het klepje weer omhoog.
Ik houd de haar in mijn schoot. Met mijn rechter wijsvinger en duim glijd ik erlangs. Dan doe ik het raampje naar beneden en ik hang mijn arm uit het raam. Ik kijk naar mijn hand die de haar vasthoudt. Dan laat ik de haar wegvliegen. Dag haar.
Het regent nog steeds.


