Haar

Het was in de auto. Hij achter het stuur, ik ernaast. Het regent. Al de hele dag. De thermometer geeft 11 graden aan. We rijden om iets tegen te komen. Een leuk dorpje, een oude brug. We rijden langs velden met opgerolde balen hooi. Of stro. Gele opgedroogde sprietjes van het een of ander. Velden met koeien. De koeien staan heel dicht bij elkaar onder een boom. Houden zeker ook niet van de regen.
Ik doe het zonneklepje naar beneden. Mijn haar zit redelijk. Voor op een camping met al een week slecht weer zit het redelijk. Het doet z’n best in ieder geval. Ik pak steeds een pluk haar en kijk ernaar. Hoe sommige plukjes samen een krul vormen en andere plukjes het niet met elkaar eens kunnen worden.
Dan ineens zie ik het. Mijn hand met de pluk haar blijft in de lucht zweven. Mijn ogen focussen zich.
Misschien komt het door de lichtval? Misschien ben ik blond geworden door de zon? Ik steek mijn hoofd verder naar voren om het goed in het kleine spiegeltje te kunnen zien. Mijn hand laat de grote pluk los en pakt de grijze haar. Hij is echt grijs. Het is niet het licht, hij is niet geblondeerd door de zon, hij is
grijs en hij zit in mijn hoofd.
Ik isoleer de haar en trek hem eruit. Met mijn
duim en wijsvinger houd ik hem vast. Van de wortel tot het puntje: helemaal grijs.
Ik kijk naar links. Hij kijkt naar de weg. “Kijk!” roep ik en ik houd de haar voor zijn neus. Hij zegt niets. “Die trek ik net uit mijn hoofd! Hier!” Met mijn linkerhand wijs ik de plek op mijn hoofd aan waar de haar zojuist zat. Hij glimlacht alleen maar. Ik kijk weer naar de haar. Dan kijk ik naar mezelf in het spiegeltje. Mijn donkerbruine haar. Ik doe het klepje weer omhoog.
Ik houd de haar in mijn schoot. Met mijn rechter wijsvinger en duim glijd ik erlangs. Dan doe ik het raampje naar beneden en ik hang mijn arm uit het raam. Ik kijk naar mijn hand die de haar vasthoudt. Dan laat ik de haar wegvliegen. Dag haar.
Het regent nog steeds.

augustus 15, 2011
By on 23:01
Haar

Het was in de auto. Hij achter het stuur, ik ernaast. Het regent. Al de hele dag. De thermometer geeft 11 graden aan. We rijden om iets tegen te komen. Een leuk dorpje, een oude brug. We rijden langs velden met opgerolde balen hooi. Of stro. Gele opgedroogde sprietjes van het een of ander. Velden met koeien. De koeien staan heel dicht bij elkaar onder een boom. Houden zeker ook niet van de regen.
Ik doe het zonneklepje naar beneden. Mijn haar zit redelijk. Voor op een camping met al een week slecht weer zit het redelijk. Het doet z’n best in ieder geval. Ik pak steeds een pluk haar en kijk ernaar. Hoe sommige plukjes samen een krul vormen en andere plukjes het niet met elkaar eens kunnen worden.
Dan ineens zie ik het. Mijn hand met de pluk haar blijft in de lucht zweven. Mijn ogen focussen zich.
Misschien komt het door de lichtval? Misschien ben ik blond geworden door de zon? Ik steek mijn hoofd verder naar voren om het goed in het kleine spiegeltje te kunnen zien. Mijn hand laat de grote pluk los en pakt de grijze haar. Hij is echt grijs. Het is niet het licht, hij is niet geblondeerd door de zon, hij is
grijs en hij zit in mijn hoofd.
Ik isoleer de haar en trek hem eruit. Met mijn
duim en wijsvinger houd ik hem vast. Van de wortel tot het puntje: helemaal grijs.
Ik kijk naar links. Hij kijkt naar de weg. “Kijk!” roep ik en ik houd de haar voor zijn neus. Hij zegt niets. “Die trek ik net uit mijn hoofd! Hier!” Met mijn linkerhand wijs ik de plek op mijn hoofd aan waar de haar zojuist zat. Hij glimlacht alleen maar. Ik kijk weer naar de haar. Dan kijk ik naar mezelf in het spiegeltje. Mijn donkerbruine haar. Ik doe het klepje weer omhoog.
Ik houd de haar in mijn schoot. Met mijn rechter wijsvinger en duim glijd ik erlangs. Dan doe ik het raampje naar beneden en ik hang mijn arm uit het raam. Ik kijk naar mijn hand die de haar vasthoudt. Dan laat ik de haar wegvliegen. Dag haar.
Het regent nog steeds.


By on 22:01
Lelijke tekening

Het lukt niet. Iedereen om me heen loopt heen-en-weer met verf en kwasten, met kroontjespennen en Oost-Indische inkt, met ecoline en houtskool en ik staar naar mijn witte blad. Ik doe een stap naar achter en houd mijn hoofd schuin. Dat heb ik mensen vaker zien doen en dat vond ik er wel intelligent uitzien. Maar ik zie nog steeds niets.
Bij de workshop moeten we een tekening maken aan de hand van een gedicht. Ik schets iets en nog iets. Ik betrap mezelf erop dat ik een kinderachtige Dick Bruna-achtige stier aan het tekenen ben terwijl de rest met een paar penseelstreken uit de losse pols een reiger van Van Gogh-allure weet neer te zetten.
Wie heeft bedacht dat uitdagingen leuk zijn? Ik zucht, maar niemand schiet me te hulp. Misschien moet ik eerst m’n materiaal kiezen. ‘M’n materiaal’ vind ik al heel goed klinken. Eén worden met je materiaal. Misschien kan ik wel materiaal vinden waar ik één mee kan worden. Materiaal dat ik het werk kan laten doen. Ik vind een grote bak waar ‘wasco’ op staat. Kan ik één worden met wasco?
Ik zet een wascokrijtje op het papier, maar het krijtje doet het werk helemaal niet. Ik moet zelf bedenken welke kant het krijtje op gaat. Ik voel me helemaal niet één met het wascokrijtje.
Er staan allerlei kleurige strepen wasco op mijn papier. Het ziet er kinderachtig uit. De docent houdt bij anderen een praatje en zegt hoe mooi het eruit ziet. Ze geeft tips en complimenten. Ik besluit mijn worsteling op te geven en haar om advies te vragen. Ik laat mijn tekening aan haar zien. Niet op mijn tafel, niet met uitgestrekte armen, maar ik houd de tekening bijna tegen mijn bovenlijf gedrukt zodat alleen zij hem kan zien. Ik durf haar niet aan te kijken. Ze kijkt naar mijn tekening. Ze zegt niets. Ze zegt heel lang niets. Ze vindt mijn tekening lelijk. Ze is heel lang aan het bedenken wat voor positiefs ze zal zeggen.
“Ja, ja…” begint ze, “het is wel een echte tekening geworden hè? Probeer wat minder kleur te gebruiken, maar meer voor één kleur te kiezen.” Ik loop terug naar mijn tafel en leg mijn tekening neer. Een diepe frons vormt zich tussen mijn wenkbrauwen.
Het is een uitdaging om iets te doen wat je bijna nooit doet. Maar ik ben niet goed in dingen die ik nooit doe. En ik vind het niet leuk om iets te doen waar ik niet goed in ben. Ik wil horen dat ik een mooi idee heb en dat ik dat zo prachtig heb uitgewerkt. Ik wil dat mensen zich over mijn schouder buigen en kreten van verwondering slaken. Ik wil dat ze elkaar aanstoten en zeggen ‘moet je eens kijken wat zij heeft gemaakt, zó mooi!’ Maar ik maak een lelijke tekening.
De workshop is klaar. Alle deelnemers leggen hun werk op de grond. De docent wijst hun kunstwerken stuk voor stuk aan en zegt hoe mooi ze zijn geworden.
Over mijn tekening wordt niets gezegd.

augustus 14, 2011
By on 23:51
Lelijke tekening

Het lukt niet. Iedereen om me heen loopt heen-en-weer met verf en kwasten, met kroontjespennen en Oost-Indische inkt, met ecoline en houtskool en ik staar naar mijn witte blad. Ik doe een stap naar achter en houd mijn hoofd schuin. Dat heb ik mensen vaker zien doen en dat vond ik er wel intelligent uitzien. Maar ik zie nog steeds niets.
Bij de workshop moeten we een tekening maken aan de hand van een gedicht. Ik schets iets en nog iets. Ik betrap mezelf erop dat ik een kinderachtige Dick Bruna-achtige stier aan het tekenen ben terwijl de rest met een paar penseelstreken uit de losse pols een reiger van Van Gogh-allure weet neer te zetten.
Wie heeft bedacht dat uitdagingen leuk zijn? Ik zucht, maar niemand schiet me te hulp. Misschien moet ik eerst m’n materiaal kiezen. ‘M’n materiaal’ vind ik al heel goed klinken. Eén worden met je materiaal. Misschien kan ik wel materiaal vinden waar ik één mee kan worden. Materiaal dat ik het werk kan laten doen. Ik vind een grote bak waar ‘wasco’ op staat. Kan ik één worden met wasco?
Ik zet een wascokrijtje op het papier, maar het krijtje doet het werk helemaal niet. Ik moet zelf bedenken welke kant het krijtje op gaat. Ik voel me helemaal niet één met het wascokrijtje.
Er staan allerlei kleurige strepen wasco op mijn papier. Het ziet er kinderachtig uit. De docent houdt bij anderen een praatje en zegt hoe mooi het eruit ziet. Ze geeft tips en complimenten. Ik besluit mijn worsteling op te geven en haar om advies te vragen. Ik laat mijn tekening aan haar zien. Niet op mijn tafel, niet met uitgestrekte armen, maar ik houd de tekening bijna tegen mijn bovenlijf gedrukt zodat alleen zij hem kan zien. Ik durf haar niet aan te kijken. Ze kijkt naar mijn tekening. Ze zegt niets. Ze zegt heel lang niets. Ze vindt mijn tekening lelijk. Ze is heel lang aan het bedenken wat voor positiefs ze zal zeggen.
“Ja, ja…” begint ze, “het is wel een echte tekening geworden hè? Probeer wat minder kleur te gebruiken, maar meer voor één kleur te kiezen.” Ik loop terug naar mijn tafel en leg mijn tekening neer. Een diepe frons vormt zich tussen mijn wenkbrauwen.
Het is een uitdaging om iets te doen wat je bijna nooit doet. Maar ik ben niet goed in dingen die ik nooit doe. En ik vind het niet leuk om iets te doen waar ik niet goed in ben. Ik wil horen dat ik een mooi idee heb en dat ik dat zo prachtig heb uitgewerkt. Ik wil dat mensen zich over mijn schouder buigen en kreten van verwondering slaken. Ik wil dat ze elkaar aanstoten en zeggen ‘moet je eens kijken wat zij heeft gemaakt, zó mooi!’ Maar ik maak een lelijke tekening.
De workshop is klaar. Alle deelnemers leggen hun werk op de grond. De docent wijst hun kunstwerken stuk voor stuk aan en zegt hoe mooi ze zijn geworden.
Over mijn tekening wordt niets gezegd.


By on 22:51
Valentijnsdag

De bloemist belde net: “Ja, zo’n vijf emmers rode rozen, drie emmers zonnebloemen en twee emmers lelies. Ze staan netjes in het water, dus we komen ze straks even met het busje brengen.”

Daarna een meneer van de TNT Post op mijn voicemail: “Dag mevrouw, het is weer zover hè? De postbode kreeg het niet meer in uw brievenbus gestopt. Zullen we het gewoon weer zoals ieder jaar doen? Komt u de zakken voor 7 uur vanavond ophalen? Het zijn er vijf geworden.”

Vervolgens belde de buurvrouw aan. Dat ze tien dozen chocolade voor me heeft aangenomen toen ik nog aan het werk was. En vijf heliumballonnen bedrukt met teksten als ‘Sanne is mijn grote liefde’ en ‘Ik geef je mijn hart’, twintig teddyberen en twee zelfgemaakte chocoladetaarten waar met sierlijke letters van pure chocolade ‘sweets for my sweet, sugar for my honey’ op was geschreven.

Nee, natuurlijk niet. Niets van dat al. Het postvak op mijn werk, mijn inbox, mijn brievenbus, ze bleven allemaal leeg vandaag. Toen ik eenmaal thuisgekomen mijn telefoon aandeed, maakte mijn hart toch nog even een sprongetje toen ik maar liefst vijf sms’jes binnen kreeg. Helaas: een gemiste oproep en vier sms’jes van T-Mobile dat mijn nieuwe bundel is ingegaan.
Ik maak mijn Valentijnsdiner warm in de magnetron, want mijn lief staat op dit moment andermans romantische diner te bereiden. Tot zover Valentijnsdag voor mij.

Ben ik dan zo’n Valentijnvierder? Nee, helemaal niet. Sterker nog, ik vind het leuker om zomaar een roos te krijgen, dan op 14 februari als-ie drie keer zo duur is. Ik vind Valentijn een overgewaardeerde, commerciële dag die gedomineerd wordt door Hallmark, Merci en de Nationale Dinercheque.

Maar toch… Dat er plotseling een rode envelop in mijn brievenbus ligt of een anoniem mailtje is verstuurd… Een echte stille aanbidder. Eigenlijk zou ik dat heel erg leuk vinden. En dat mag van mij ook best op 15 februari. Ik geef ‘m nog een dag.  

februari 14, 2011
By on 18:34
Territorium

Sinds kort ben ik de trotse bezitter van een eigen lokaal. Lokaal 82.
Drie jaar lang heb ik mezelf een breuk gesjouwd met al mijn spullen. In een lokaal waar ik slechts één uur les gaf had ik een plank die ik met mijn leven moest bewaken. Ik vond dat ik gestraft werd voor het feit dat ik jong en flexibel ben. Net voordat de nieuwe roosters gemaakt zouden worden had ik de stoute schoenen aangetrokken en de roostermaker een mailtje gestuurd met daarin de vraag of het mogelijk zou zijn om in één lokaal les te geven. Dat is vrij goed gelukt. Van de 20 lesuren die ik heb, zit ik er nu 17 in lokaal 82. Hoezee!

Een kleine situatieschets:
Als ik rechts van me kijk zie ik een grasveld waar leerlingen lopen die uit zijn of nog snel naar het volgende lokaal rennen. Ik zie ook een afdakje waar een groep leerlingen en een docent staan te roken. Aan het hendel aan het raam hangt de junior spreekwoordenscheurkalender van Van Dale.
Als ik voor me kijk zie ik dat alle tafels brandschoon zijn, omdat ik die pasgeleden met mijn mentorklas gesopt heb. Alle stoelen staan netjes op diezelfde tafels en omdat ik de enige ben die op maandag in dit lokaal zit zie ik nergens propjes of papiertjes op de grond liggen. Er hangt een prikbord waar ik alle oude posters heb afgetrokken en de kleurige posters van de Slash-boeken heb hangen. Boeken die ontstaan zijn uit de samenwerking tussen een bekende schrijver en een jongere die datgene wat in het boek verteld wordt echt heeft meegemaakt. De leerlingen vinden ze te gek. De omslag van de Onze Taal van januari hangt er ook, omdat de voorkant en achterkant gevuld was met leuke missers uit de media.
Aan de muur hangt mijn trots: twee posters van Plint. Ik ben gek op alles van Plint. Er hing eerst een hele oude poster van de luchtmacht, geen idee waarom die ooit in een lokaal waar vrijwel alleen Nederlands gegeven wordt is beland. In de andere lijst hing een getekende poster. De tekenaar, vermoedelijk een leerling, had allerlei spreekwoorden getekend als rebus. Hartstikke leuk, ware het niet dat die leerling ondertussen kleinkinderen op deze school heeft rondlopen. De poster was een tikje oud.
Ik heb lang getwijfeld welke posters ik aan zou schaffen. Uiteindelijk zijn het Ik schrijf ze op van Koos Meinderts en Los van Ingmar Heytze geworden. Vooral de laatste vind ik erg mooi.

Dit lokaal voelt nu echt als mijn plekje. Ik vind het heel fijn dat ik nu al bij de deur mijn leerlingen kan verwelkomen en ik na een dag werken lekker kan blijven zitten en wat mappen uit de kast achter me kan pakken. Ik moest m’n best doen om dit plekje te veroveren, maar nu zit ik er. Dit is mijn territorium.Los

februari 11, 2011
By on 15:31
Een paar weken op een mensenleven

Over een paar weken is het vakantie. Aan de ene kant zie ik er enorm naar uit, aan de andere kant betekent dit ook dat er steeds minder tijd is om mijn studie af te ronden. Ik heb last van moodswings. Het ene moment stuiter ik door het huis omdat alles zo goed gaat en ben ik in gedachten al een afstudeerfeestje aan het geven en het andere moment kan ik alleen maar hysterisch huilen en gaat niets zoals ik het wil.
Mijn lief heeft het zwaar, zolang hij op een armlengte bij mij vandaan blijft is hij enigszins veilig.
Het is even heftig, maar dan heb ik straks wel mijn diploma. Ik sprak mijn vader gisteren even op MSN. Hij zit nu met zijn vriendin in Amerika om mijn stiefzusje op te halen. Of ik ook wel af en toe rust nam en goed voor mezelf zorgde? Nee, nu even niet. Ik zette op een rijtje waar ik allemaal mee bezig ben op dit moment.
- afstuderen
- voorstellingen spelen over twee weken (veeel repeteren nog)
- afronden van schooljaar op m'n werk
- afstuderen
- afscheid voor collega regelen
- afstuderen
- squashen met schoonzusje
- sponsoring voor musical op m'n werk
- en o ja, afstuderen

Het is zwaar om zoveel verschillende focussen te hebben. En dan te bedenken dat ik toen ik voltijd studeerde vond dat ik het ontzettend zwaar had, met een klein bijbaantje erbij. Nu heb ik een echte grotemensenbaan en rond ik even mijn studie ook af.
Het eind is gelukkig in zicht. Vandaag regende het de hele dag. Heel fijn, daardoor kreeg ik Couperus vandaag uit. Vanavond verder aan een procesverslag en dan morgen starten met Multatuli. De arme kindjes in Afrika zouden blij zijn met zoveel studie. 
Het komt allemaal goed. Echt.

mei 30, 2010
By on 19:21
Horizon

"Kijk eens goed. Nee, goed kijken!" Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Mijn hoofd buigt zich naar voren en lijkt nu los van mijn lijf te zweven. "Ik zie het niet. Ik zie het echt niet." Mijn armen maken een hopeloos gebaar. Vorige week zag ik het nog. De eindstreep. Een paar weken nog maar en dan haal ik ‘m. Binnen de tijd. Ik had mezelf ervan overtuigd dat ik die streep ging halen. Ik had een paar kurken uit een keukenla gevist om in mijn oren te stoppen zodat ik de roepende terrassen en witbiertjes niet hoorde. Vrienden die belden wimpelde ik af en onder het mom van ‘wat zijn elf weken op een mensenleven, doorbeuken!’ ging ik iedere dag braaf achter mijn laptop zitten. Typerdetyp. Maar met alle wil van de wereld, ik ben de eindstreep even uit het oog verloren.
"Ik ben ‘m kwijt. Ik kan net zo goed hier aan de kant van de weg gaan zetten."
"Nee, niet doen San. Je bent gek als je dat doet. Doorbijten, dat kun jij."
"’t Zal best. Maar kan ik nou niet even dit zijstraatje nemen? Het ziet er daar zoveel gezelliger uit!"
"Nee. Dat kan niet. Na de komende weken mag je al die leuke en gezellige straatjes in, maar eerst deze weg."
"Maar hier lopen beren!"
"Ach, die jaag jij zo weg. Waar ben je nou met je grote bek?"
"Ik moet toch ook ontspannen!"
"Onzin, dat weet jij ook. Ontspannen is niet een heel weekend lang alleen maar op het terras zitten en tot 6 uur in de ochtend dansen. Je kunt het ook overdrijven."
Ik draai en kijk naar de grond. Nog even. Het is alleen een kwestie van rustig de taken op mijn lijstje afwerken. Van mijn lief krijg ik elke keer als ik weer iets afgerond heb een sticker. Wat voor motivatie heb ik nog meer nodig?
Ik knijp mijn ogen zo samen dat ik nog maar door een heel klein spleetje kan kijken. Langs alle beren, kuilen en hobbels zie ik de verte een vlag. En een hoop mensen die alvast staan te klappen. Ik zie de eindstreep. Nog even en ik ben er.

april 21, 2010
By on 21:08
Kook ook

210310_003Iedere dag moeten we eten, dus iedere dag wordt er gekookt. Door mij wel tenminste. Ik vind koken heel erg leuk om te doen. Vooral voor anderen, maar ook voor mezelf. Ik heb altijd voor mezelf gekookt. Het moment dat ik net op mezelf ging wonen, in het studentenkamertje bij mijn hospita (of hekspita, zoals ik haar liever noem) begon ik al met koken. Zoals een echte beginner beperkte zich dat nog tot de Knorr wereldgerechten en Chicken Tonight. Het moeilijkste vond ik de logistiek. Al doende kwam ik er snel achter dat je niet met het vlees moet beginnen en betekent snelkookrijst ook echt snelkookrijst. Nu draai ik mijn hand niet meer om voor een mooie medium gebakken biefstuk of een ingewikkeld tajine-gerecht.
Ik woon alweer zeven jaar op mezelf. Ik kook dus ook alweer zeven jaar op mezelf. Nog steeds. Ik heb nu de luxe met een chef-kok samen te wonen, maar ja, die werkt natuurlijk om etenstijd. Ik eet dus vaak alleen. De meeste mensen die koken leuk vinden, doen dit alleen graag voor anderen. Ik kook eigenlijk altijd, ook alleen voor mezelf. Ik ben geen goede huisvrouw als het gaat om schoonmaken, maar het plaatje van de vrouw met hoge hakken in de keuken is wel aan mij besteed. Koken en eten is voor mijn lief en mij belangrijk. De muur van de slaapkamer die eens aan de keuken grensde is gesloopt om ruimte te maken voor een woonkeuken. We zitten zelden in de woonkamer. Mensen die over de vloer komen halen de woonkamer ook vaak niet. Het gebeurt in de keuken.   
Ik heb nog veel te leren op kookgebied. Er zijn veel dingen die ik nog niet weet en ik vind het nog wel eens lastig om ingrediënten met elkaar te combineren. Het is net als met kleren kopen, daar ben ik ook geen ster in. In de winkel dacht ik dat het leuk met elkaar zou staan, maar als ik het dan bij elkaar aantrek ziet het er ineens niet meer uit. Maar ik blijf proberen en ontdekken. Er is zo veel lekkers in de wereld te krijgen. Ik verheug me op alles wat ik nog ga maken en proeven. Het leven is heerlijk.

april 1, 2010
By on 18:34
Gesloopt

Klussenvrouw Op mijn duim zit een grote blaar. Ik heb een beetje spierpijn in mijn rug en nek en de kleren die uit de wasmachine komen ruiken nog steeds naar gruis.
Het afgelopen weekend was sloopweekend. Mijn vader en zijn vriendin hebben een huis gekocht. En dat huis is nogal oud en er moet het een en ander aan gebeuren. Waarbij het een en ander nogal zacht uitgedrukt is. Er werden een hoop mensen opgetrommeld om te komen slopen, waaronder uiteraard de dochters. Ik vind klussen best leuk om te doen. Ik ben geen doorgewinterde klusser, simpelweg omdat ik er nog maar heel weinig ervaring mee heb, maar ik ben wel goed in het uitvoeren van klusjes. Als je me zegt wat ik moet doen en met welk gereedschap dan ram ik dat plafond er wel uit.
Met zusje L. hebben we, beiden voorzien van een koevoet ter grootte van ons bovenlichaam, het plafond in de slaapkamer eruit gehakt, geslagen en geschreeuwd. Man, wat is dat lekker om te doen zeg! Flink beuken, samen de koevoet achter een stuk gipsplaat zetten en dan tegelijk trekken, waarna er een enorme plaat naar beneden dondert. L. en ik keken elkaar dan aan schreeuwen iets als ‘hoewoeaaaa!’ gevolgd door ‘Ajeto buur!’ en gingen weer verder. Genieten!
Ik moest best om ons lachen. We zijn allebei kleintjes en gaan normaal hooggehakt en voorzien van een make-upje door het leven, maar draaien hier onze hand ook niet voor om. Het schijnt dat dat voor sommige mensen een rare combinatie is. Toen ik namelijk vrijdag een collega vertelde dat ik dit weekend sloopweekend bij mijn vader had, reageerde hij meteen met ‘ga jij dan koffie zetten?’ Ik was helemaal perplex van die veronderstelling. Ga ik dan koffie zetten? Tuurlijk niet, ik ga ook slopen! Die avond vertelde ik mijn moeder van het voorval en ik probeerde het te begrijpen door erbij te vertellen dat hij me niet anders kent dan trippelend door de gangen van de school met mijn hakjes en rokken. "Dat kan wel zijn," zei mijn moeder, "maar er zijn ook mannen die in driedelig grijs rondlopen en die krijgen die vraag niet hoor." Inderdaad! Ik was met terugwerkende kracht beledigd.
Hij had me eens moeten zien, met mijn kisten aan (uit mijn altoperiode), koevoet in de hand, keiharde muziek uit de ghettoblaster en beuken maar. Jammer dat ik er geen foto’s van heb.

maart 15, 2010
By on 14:00